Ode aan mijn Vader

Klein Monument

Ik weet het wel – ik moet het maar vergeten
het is zo lang geleden en voorbij.
Zij die het zeggen menen het goed met mij,
maar het is of ik door slangen word gebeten.

Heb ik niet – keer op keer – mezelf gedwongen,
de nagels diep gedrongen in mijn huid ?!
Ik delf het onderspit en schreeuw het uit
in duizend dromen die aan scherven sprongen.

Het leven heeft geen enkele kans geboden.
De mazen van het veel te kleine net
waren te nauw of al te druk bezet.
Ze zijn vertrokken in een trein vol doden.

Laat mij tot in de late nanacht spelen
met woorden, groeiend tot een stil gedicht.
Mijlen van hier ontwaar ik hun gezicht
en deel mijn tranen met ontelbaar velen.

Voor allen die ik eenmaal heb gekend,
die ik heb liefgehad èn om te overleven
is dat wat nooit voorbijging neergeschreven.
Aan hen draag ik het op, dit kleine monument.

(uit een verzameling verzetspoëzie)